Ontwikkeling kapconstructies

De oud-Hollandse kap is de meest voorkomende constructie. Deze kan in de meeste dakvormen worden toegepast.

Boerderijen kennen grote, van de grond af opgebouwde constructies, waar de kapconstructie een onderdeel van is. Deze verschillen van streek tot streek. Een bekende constructie is het ankerbalkgebint, dat veel voorkomt in hallenhuisboerderijen in Midden-Nederland.

De diverse onderdelen van de kapconstructie werden op de begane grond of in de werkplaats vervaardigd. Om te zorgen dat bij de montage alles op de juiste plaats terechtkwam, werden op de onderdelen zogenaamde telmerken aangebracht. Deze uitgehakte of gemarkeerde tekens werden in de steden tot in de zeventiende eeuw en op het platteland tot in de twintigste eeuw algemeen toegepast. Ze kunnen veel vertellen over de geschiedenis van het dak. Als het enigszins mogelijk is, moeten bij restauratie van het dak onderdelen met telmerken zo veel mogelijk worden gehandhaafd.

Dakvormen

De meeste daken zijn te rangschikken. Bij de vorm van een dak hoort een kapconstructie die de gewenste ruimte omsluit en de dakbedekking moet dragen. Deze constructie is tevens belangrijk voor de stabiliteit van het muurwerk onder het dak. Een dakconstructie moet dus sterk zijn. Deze sterkte wordt bereikt door het aaneenschakelen van onvervormbare (stijve) driehoeken.

Het dak is een uitermate belangrijk deel van het gebouw. Het beschermt immers alles wat zich daaronder bevindt tegen weersinvloeden. Het dak moet daarom solide zijn en aan uiteenlopende eisen voldoen. Bij het construeren moet onder meer rekening worden gehouden met winddruk, het eigen gewicht en dat van de dakbedekking, en incidentele extra belasting door bijvoorbeeld een pak sneeuw. Andere zaken die de vorm van het dak bepalen, zijn de vorm van het grondvlak van het gebouw, de voorziene functie van de zolder en architectonische uitgangspunten.

Dakenlandschappen van oude steden en dorpen bieden door de variatie in vorm en bouwhoogte altijd weer een fascinerende aanblik. Dit in tegenstelling tot het monotone dakenlandschap van de laat negentiende en vroeg twintigste-eeuwse bouw of die van de naoorlogse wijken.

In de buitenstedelijke gebieden ogen de daken van een kasteel of buitenplaats vaak zeer fraai, met complexe patronen en daarboven uitstekende torenspitsen en hoek- of traptorentjes. Daken van monumenten in de buitengebieden zijn veelal als zodanig ontworpen. In de kernen van oude steden is dat lang niet altijd het geval geweest.

Dakenpatronen zijn hier vaak historisch gegroeid uit de ontwikkeling en de functie van gebouwen. Zo bouwde men bij behoefte aan meer ruimte de hoogte in. De introductie van nieuwe dakbedekkingen maakte steilere en hogere daken mogelijk. De kapconstructies van de meeste monumenten zijn van hout. Bij sommige jongere monumenten is ook beton en ijzer toegepast.

Oud-Hollandse kappen hebben een bepaald type spant. Voorbeelden zijn de sporenkap en de gordingenkap.

  • Sporenkap

Een spoor is een dunne houten balk of dunne stam van een spar, die loopt van de voet van de kap tot aan de nok. Een enkelvoudige sporenkap is samengesteld uit naast elkaar opgestelde sporen. Twee tegenover elkaar opgestelde sporen vormen een gespan. Hiertussen zijn horizontale verstijvingen en een of meer hanenbalken aangebracht.

In de tweede helft van de veertiende eeuw verschenen er gebinten, ook wel spanten, jukken of schaargebinten genoemd, onder de sporen om het geheel te versterken. Zo’n gebint bestaat uit twee stijlen, die soms in een bepaalde kromming staan (krommers), waarop een dekbalk rust. Het geheel is vaak verstijfd met korbelen. Hoge kappen hebben meerdere jukken boven elkaar. Op het bovenste juk staat het nokgebint.

Naar gelang de lengte van de kap zijn op geregelde afstand de gebinten geplaatst. Aan de buitenzijde van deze gebinten werd in de lengterichting van de kap een worm (balk) geplaatst, veelal een gording genoemd, waartegen de sporen werden opgesteld.

  • Gordingkap

In de zuidelijke Nederlanden bouwde men in deze tijd de gordingenkappen. Gordingen zijn lange balken die in de lengterichting tussen spantbenen liggen, opgelegd in kepen in het spantbeen. Over de gordingen liggen de op sporen gelijkende kepers. Deze kapconstructie verspreidde zich vanaf de zestiende eeuw over de rest van het land.

Jongere monumenten hebben altijd gordingenkappen, met als draagconstructie het verbeterde Hollandse spant. Hiervan lopen de spantbenen door van de muurplaat tot de nok. Het dakbeschot is direct op de gordingen gespijkerd.

  • Dakbeschot

Het aanbrengen van dakbeschot was aanvankelijk niet algemeen, behalve bij kappen waarop de dakbedekking moest worden vastgespijkerd, zoals bij leien en bij plaatvormige bedekking als lood en koper.

  • Houtsoort

De meest gebruikte houtsoort voor kapconstructies is tot en met de twaalfde eeuw dennenhout (afkomstig van de zilverspar). Uit dit tijdvak is echter nagenoeg niets bewaard gebleven. Daarna werd tot ongeveer de tweede helft van de zeventiende eeuw hoofdzakelijk eikenhout gebruikt. Vervolgens is tot de tweede helft van de negentiende eeuw grenenhout (van de grove den) het meest gebruikt. Pas de laatste eeuw wordt veelvuldig vurenhout (van de fijnspar) toegepast.

Compleet authentieke daken zijn er gelukkig nog wel, al worden ze steeds schaarser. Toch hebben ook daken waar veel aan vertimmerd is vaak nog veel oude onderdelen. Dat zijn zaken om zuinig op te zijn.

Zuinig was men vroeger ook. Materiaal was duur, arbeidskrachten waren naar verhouding goedkoop. Er vond daarom veel hergebruik plaats. Vaak is dat nog te zien aan ‘onverklaarbare’ kepen, ‘nesten’ en andere uitsparingen in de balken. Dergelijke onregelmatigheden moeten niet worden gezien als beschadigingen; ze geven oude constructies juist een eigen charme. De ouderdom van het dak hoeft niet overeen te komen met die van het huis. Het bestaande dak kan er later op zijn gezet. Aan de hand van de opbouw van het dak, de gebruikte houtsoort en details zoals telmerken kan de leeftijd van de kapconstructie meestal redelijk nauwkeurig worden bepaald.

 

Deel dit artikel: LinkedIn Google+