Ontwikkeling glas

Bij de vroegste vensters spande men om licht binnen te laten en (koude) lucht buiten te houden een varkensblaas voor de opening.

Glas was aanvankelijk alleen beschikbaar in zeer geringe oppervlakten. De kleine stukjes werden door loden strips verbonden tot een groter geheel. Geleidelijk aan werd glas in steeds grotere oppervlakten en betere kwaliteiten leverbaar. Glas-in-lood was daardoor niet langer noodzaak, maar werd een siervorm.

Vensterglas, ook wel tafelglas genoemd, werd vroeger geleverd in halfwit en wit. In de achttiende eeuw streefde men naar kleurloos glas. Door grondig wassen van het zand en het toevoegen van wat bruinsteen, werd een bijna volledige ontkleuring verkregen. Met als resultaat het zogenaamde witglas. Door inwerking van zonlicht krijgt dit glas soms een paarse gloed. In de sponningen blijft het echter kleurloos, wat een herkenningspunt is voor dit oude glas.

Na 1920 ontstaat het getrokken harde en strakke glas.

 

Deel dit artikel: LinkedIn Google+